Rosenmontag Spaziergang

Mistroostig kijkt de man naar buiten. Het aanbod aldaar is niet erg uitnodigend, toch zal hij zijn verplichte wandeling moeten maken voor het psychische en fysieke welzijn. Het is wat grijzig in een witte wereld en op het journaal hebben ze een temperatuur van onder nul beloofd.

Eenmaal buiten blijkt hij een van de weinige helden te zijn. De rest van de mensheid las absoluut geen uitnodiging in de winterse kou geschreven. Ondanks de desolate aanblik, was er veel lawaai. Om voor hem onbegrijpelijke reden maakten de vogels een hels kabaal.

‘Ik ben geen ornitholoog, ik spreek hun taal echter niet.’

Misschien verwittigen ze elkaar dat er een rare tweevoeter met dit weer naar buiten gaat, zonder veren nota bene. Misschien hebben ze wel gewoon honger na zoveel weken sneeuw. Mogelijk spelen de hormonen hen parten, maar worden ze nog gedwarsboomd door de weersomstandigheden en dat is natuurlijk heel frustrerend. Een ding is zeker, de Wielewaal roept hen nog niet.

‘Dus wat doe ik hier in die Siberische koude.’

Buiten de vogels is het bijna stil. Alleen een auto komt langzaam aanrijden, de gladde wegen noodzaakten de chauffeur tot voorzichtig rijgedrag. Als de man bijna genaderd is, stopt hij. Hij kijkt alsof hij best sneller wil rijden, maar de verplichtingen die zijn werk met zich meebrengen zijn belangrijker. Hij pakt uit de achterklap van zijn kleine bestelbusje een pakketje. De leesportefeuille, leesplezier dat je zelf kunt samenstellen lees hij op de auto. De bladenman heeft een uitstervend beroep en aan zijn gezicht te zien, heeft hij er ook nog weinig plezier in. En hij moet nog tien jaar zo te zien en als het even tegenzit, zullen de opvolgers van Vader Drees hem nog twee jaar langer laten lijden.

Als de man in zijn tijdschriften mobiel verder gaat het leesplezier te verspreiden, is het wel echt stil. Ook de vogels houden hun gemak als de rand van het dorp achter hem ligt. Tussen de weilanden en langs het spoor treft de man niemand meer. Voor het psychische en fysieke welzijn, zet hij de pas erin. Het helpt hem ook om een beetje warm te worden en al snel nadert hij het volgende kerkdorp. De hoofdstraat is bezaaid met serpentines en confetti. Hier en daar liggen platgetrapte snoepjes die niet door kinderen zijn opgeraapt. De carnavalsoptocht is de zondag ervoor langs geweest, maar van enige feestelijkheden nu, is amper iets waar te nemen.

‘Het is Rosenmontag’, herinnert de man zich, maar de tijd van kolderieke leut is voor hem al eeuwen geleden.

Trouwens de feestelijkheden op deze desolate maandagochtend lijken ook hier nog niet op gang te zijn gekomen. Uit een van de huizen komt wel de geur van worst en boerenkool via de luchtkoker. De ultieme voorbode dat later die dag mogelijk weer leven in de brouwerij zal zijn. Nu moet de kater eerst weggewerkt worden met koffie en een stevige stamppot. De man kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twaalf is.

‘Inderdaad, over een uur of twee zal het aanzienlijk drukker zijn.

Hier en daar fietst een ‘vroege vogel’ in kleurrijke kleding, maar ook met een dikke jas tegen de kou. De gezichten staan niet erg ontspannen, chagrijnig zelfs. Mogelijk dat hutspot met klapstuk bij een van de verzamelpunten van de verschillende vriendenclubs daar verbetering in kan brengen. Het zijn namelijk hoofdzakelijk jonge mannen. Hun vriendinnen zullen ongetwijfeld eerder zijn opgestaan om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor het eten. Ze hebben statistisch gezien ook minder kans op een enorme kater.

Midden in het dorp staat de enige horecagelegenheid met een feesttent op de parkeerplaats. Aan de buitenkant is het een gewoon café zoals er nog velen staan in de verschillende kerkdorpjes. De tafels zijn bedekt met dikke tafelkleedjes en hoogstwaarschijnlijk staan er ook nog gewoon asbakken. Nu is de entourage feestelijk gemaakt met ballonnen en slingers. Boven de ingang staat dat prins Cor heer en meester is. Zijn gevolg, de carnavalssteken zijn goed zichtbaar vanaf buiten, praat nog rustig na over de avond ervoor. Mogelijk dat ze bezig zijn met de festiviteiten van die middag. Zachtjes is uit de luidsprekers, die boven de foto van prins Cor hangen, muziek te horen. Heel langzaam wordt de stemming er voor die dag ingesleten.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,

Am Rosenmontag bei uns daheim.

Bis Aschermittwoch bin ich verloren,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein.’

‘Er is hier nog niemand ‘närrisch’’, bedenkt de man terwijl hij het etablissement achter zich laat en verder wandelt, zijn psychische en fysieke welzijn tegemoet.

‘De vogels zijn niet ‘närrisch, de bladenman niet en ook de onderdanen van prins Cor nog lang niet. De enige joker ben ik zelf om met dit weer te wandelen.’

Hij schroeft zijn wandeltempo nog maar eens een beetje op. Toch begint hij onbewust te neuriën en loopt in de cadans van het liedje dat hij in zijn hoofd heeft.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,………..

De zon begint zowaar een gevecht aan te gaan met de grijze lucht als de man zijn rondje heeft gewandeld. Een beetje lente dan toch en een beetje herboren na zijn wandeling. Met het carnavalsfeest bij prins Cor zal het ook wel goed komen die middag en ook de vogels zullen binnenkort hun nesten bouwen. Of het met de bladenman goed zal komen, weet hij niet. Hij kan het alleen maar hopen.

’t Piepke

Alsof hij nooit is weggeweest, staat hij op zijn plek tegen de kale muur van de supermarkt, midden in de pretentieloze nieuwbouwwijk. De verse sneeuw, die de ochtend gevallen is, wordt netjes weggeveegd, terwijl ’t Piepke het allemaal soeverein bekijkt. En wij weten dan inmiddels dat de lente in aantocht is wanneer ’t Piepke weer in de openbaarheid verschijnt, ook al is het nog koud en winters voor andere stervelingen.

’t Piepke is een prettige zekerheid geworden in het leven. ’t Piepke staat meestal vrij roerloos op een strategische plek, vaak op meerdere momenten van de dag aan zijn pijp te lurken. Het moet wel heel hard regenen, of zoals nu, langdurig koud zijn, willen we ’t Piepke uit het oog verliezen.

In de anonimiteit van de moderne woonwijk heeft ’t Piepke ongewild, ook door gebrek aan beter, de rol gekregen van een soort dorpsgek. Hij weet dit overigens niet. Bovendien gedraagt hij zich ook niet heel buitenissig, het is meer het leger der kleurlozen dat hem tot een markante verschijning maakt.

Jaren geleden was de man me al opgevallen. Iedere avond reed ik met de fiets of auto langs hem op. Een gedrongen man van tegen de tachtig met een manchester broek, een pet, een grote donkere hoornen bril en een wat boerse jas voor als het koud is. Hij heeft een dunnere variant voor de minder koude dagen en hij verschijnt in hemdsmouwen bij zomerse temperaturen. Maar altijd heeft hij zijn pijp in de mond en met zijn handen op de rug monstert hij de voorbijgangers.

Bij terugkomst van een familie-uitje zei ik eens dat ’t Piepke er ook weer was. Ik zwaaide naar hem. Hij reageerde met een korte hoofdknik, nauwelijks waarneembaar, maar mijn kinderen waren onder de indruk.

‘Pappa kent ook iedereen.’

Ik heb ze uiteraard in de waan gelaten, inmiddels weten ze ook wel beter, maar ’t Piepke is sindsdien een begrip geworden. Al zijn gangen worden in familieverband besproken. Als ’t Piepke van zijn plaats wandelt om een boodschap te doen, wordt zoiets genoteerd inclusief wat er in zijn boodschappenmandje zit. Als hij een praatje maakt met een voorbijganger dan valt het op. ’t Piepke is een man zonder lange dialogen. Zijn bijdrage beperkt zich veelal tot enige losse opmerkingen in het plaatselijke dialect. En hoewel ’t Piepke nooit onwelwillend is naar zijn medemens, is zijn favoriete houding toch met de handen op de rug de auto’s, fietsers en wandelaars schijnbaar emotieloos observeren.

Mijn jongste zoon heeft mogen ervaren dat ’t Piepke wel degelijk negatieve emoties de vrije loop kan laten gaan. Heel opgewonden kwam hij eens thuis om dat te melden:

‘ ’t Piepke is helemaal uit zijn dak gegaan!’

In geuren en kleuren vertelde hij dat ’t Piepke vloekend en druk gesticulerend naar een huis aan de overkant wees. Hij zou schuttingtaal hebben gebezigd die niet echt past bij het oude baasje. Bovendien, zo gaat het verhaal, stak hij zijn middelvinger op.

‘Echt waar’, zei mijn jongste zoon volhardend toen hij ons ongeloof waarnam.

Inmiddels weten we dat hij in het huis aan de overkant woont, met zijn echtgenote, die we nog nooit hebben gezien, maar gemakshalve noemen we haar mevrouw Pipperette. Ik kan me zo voorstellen dat ze hem de deur heeft uitgezet met de woorden:

‘Ga jij maar op de hoek staan met je pijp, ik moet de boel aan kant maken.’

Nu zal ’t Piepke zich hebben neergelegd dat hij de vitrage niet meer mag besmeuren met zijn pijpwalmen. Maar hij wil wel naar buiten slenteren wanneer hij dat wil en niet op aandringen van mevrouw Pipperette zelf. In Amsterdam sturen vrouwen hun gepensioneerde mannen tenminste nog naar Artis. Hij moet op de hoek staan, tegenover zijn eigen huis nota bene.

De keer erop had hij zich weer verzoend met zijn Aardse plek tegen de blinde muur van de supermarkt. Hij volgde de langs rijdende auto’s en legde zijn nek in een kramphouding en mompelde nauwelijks hoorbaar:

‘Lekker wijfie.’

Onwillekeurig keek ik naar de vrouw in kwestie en moest concluderen dat ik zijn smaak niet deelde. Er fietste een dikke, ietwat fletse dame aan de verkeerde kant van de vijftig langs. Ze bezat in mijn optiek geen greintje ‘joie de vivre’ meer, maar ze kon ’t Piepke blijkbaar wel bekoren. Misschien kende hij haar nog wel van veertig jaar terug en heeft hij zich toen, op de rand van zijn midlifecrisis, verlekkerd aan haar. Ongetwijfeld was ze toen nog fris en fruitig en had het leven haar nog wat te bieden. Wie zal het zeggen?

Geheel onverwacht sprak ’t Piepke mij vorig jaar aan op de hem bekende losse lodderachtige wijze. Op een woensdagochtend had ik alle boodschappen gedaan. Bij thuiskomst was ik het wasmiddel vergeten, want woensdag is het wasdag. In een uiterst slechte stemming kon ik onverrichter zaken terug. Met een fles vloeibare zeep in mijn hand, merkte ’t Piepke me op. Hij bewoog zijn pijp van de ene mondhoek naar de andere.

‘Zo, dan kan moeder de vrouw ook weer aan het werk!’

‘Gvd’, dacht ik jaloers, ‘Niets moeder de vrouw, deze sukkel zelf moet aan de slag, luie uitvreter.’

Ik zag het onredelijke van mijn gedachten en lachte als een boer met kiespijn naar ’t Piepke.

Hij staat er dus weer, met een dikke jas aan, zijn pet op zijn hoofd en de pijp heel vertrouwd onder aan zijn lip, kijkend naar de witte wereld om hem heen, in de nietszeggende nieuwbouwwijk. Alsof hij een boer is die zijn landerijen bekijkt en voelt dat de lente er aankomt. Misschien was het land voorheen wel van hem? Wie weet? Ik weet het in ieder geval niet, want we kennen elkaar niet echt in de nieuwbouwwijk.

Reddingsboei voor bakvissen

Ze zijn met zijn tweeën, maar vaak zijn zo ook alleen. Twee jonge vrouwen, meisjes nog eigenlijk, al zullen ze zichzelf zo niet afficheren. Geanimeerd spreken ze met elkaar. Voor de geïnteresseerde observant is de conversatie nauwelijks te volgen. De ene onderdrukte kreet volgt in een rap tempo de andere op.

– ‘Boring les vandaag!’

– ‘Nou zeg, Fokker in een pest humeur.’

– ‘Ga morgen naar Max.’

– ‘Vette tent, lekker dansen.’

In de hoedanigheid van anoniem voyeuristisch gehoor begrijp ik dan dat er geen vriendje in het spel is. Tenminste niet een jongen die Max heet.

– ‘Heb je dit al gehoord?’

Het trendy oordopje wordt van het ene meisjesoor naar de andere getransporteerd. De blonde kijkt verwachtingsvol naar haar vriendin. Als blijk van waardering begint zij onderkoeld maar duidelijk zichtbaar met haar heupen te draaien.’

– ‘Cool!’

– ‘Met wie ga je morgen?’

– ‘Weet nog niet, moet eerst nog nieuwe mascara.’

De donkere jonge vrouw, met opzicht gekleurde vlechten, zorgvuldig om haar hoofd gedrapeerd, duikt in haar tasje, het is amper voor te stellen dat hier ook schoolboeken in kunnen. Ze zullen wel geen huiswerk meer hebben.

Ze laat de blonde iets zien.

– ‘Dit is hele fijne.’

Als bewijs hiervoor kijkt ze haar vriendin met grote ogen aan.

Die knikt, terwijl ze haar hippe telefoontje met ongetwijfeld vele mogelijkheden, maar nu wordt het gekleurde kleinood gebruikt waar het oorspronkelijk voor bedoeld is, want ze zet het ding aan haar oor en begint te praten. Nu niet tegen het donkere meisje, die haar ogen weer normaal doet en mascara weer in haar tas doet.

– ‘Hoi, waar ben je?’

…………

– ‘Wacht op station op trein.’

…………

– ‘Nee, met Carol.’

…………

– ‘Die niet, maar van school.’

…………

– ‘Doe ik, doeg.’

Het donkere meisje, Carol heet ze blijkbaar, heeft ondertussen op de display van haar mobieltje zitten staren. Ze veerde even op bij het horen van haar naam en kijkt nu vragend naar haar vriendin.

– ‘Mijn vriendje.  Nog wel. Wil altijd weten waar ik ben. Gaat hem niks aan.’

– ‘Moet je niet willen, nee toch?’

Onaangekondigd gaat de blonde driftig toetsend een berichtje sturen. Haar vriendin schikt ondertussen het gebreide witte sjaaltje, doet een passend mutsje op haar mooi bevlechte hoofd en kijkt stuurs afwisselend naar de SMS-ende vriendin en haar eigen mobieltje. Alsof ze ieder moment een berichtje verwacht. Misschien wel van de blonde naast haar.

Met een snelle beweging draait ze aan het apparaatje en doet een oordopje in. De blonde is uitgetipt, kijkt nog even naar het resultaat en is klaarblijkelijk tevreden.

Ter verklaring zegt ze.

– ‘Moest even, naar mijn zus.’

Carol, die inmiddels weer een van de oortjes uit heeft gedaan, knikte empathisch met holle en van fijne mascara voorziene ogen.

– ‘Begrijp ik toch?’

Als buitenstaander begrijp je hier helemaal niets van, maar goed het gesprek is ook niet voor buitenstaanders.

Dan komt langzaam de trein binnen.

– ‘Ik moet weg, zie je morgen bij Max.’

– ‘Tuurlijk!’

Een innige vriendinnenknuffel met veel sterktes en successen volgen. Waarvoor is wederom onduidelijk, maar dan scheiden de wegen zich. In ieder geval tot morgen bij Max als er niets tussenkomt.

Carol kijkt haar blonde vriendin nog even na. Haar gezicht straalt zolang ze oogcontact heeft. Zodra de trein weg is, gaat haar gezicht op slot. Als een kleine vamp staat ze ongenaakbaar op het grote perron, wachtend op haar vertrek. Heel even lijkt ze de wereld aan te kunnen, alleen. Dan grijpt ze toch naar haar redding, de telefoon die al die tijd in haar hand heeft gelegen. Ze wordt nu volledig in beslag genomen door het beroeren van de toetsen, af en toe schichtig om zich heen kijkend.

Een hele belangrijke boodschap wordt de wereld ingewerkt, misschien wel naar de zojuist vertrokken blonde. Ze was nog iets vergeten te zeggen. Van de ongenaakbare jonge vrouw is weinig meer over. Een ietwat nerveuze bakvis doet heel hard haar best de wereld aan te kunnen.

Gelukkig komt de trein en kan ze in een nieuwe omgeving opnieuw proberen een hele ongenaakbare vrouw te zijn, met haar mobiel, de reddingsboei voor al het wereldleed van bakvissen.

Nalatenschap

Met de fiets aan de hand, bekijkt de vijftiger de werkzaamheden in de stad. Er is genoeg te zien, mits je er oog voor hebt. De man heeft dat niet. Hij is geboren met twee linkerhanden. Hij kijkt misprijzend naar de enorme hijskraan die een groot roestig stuk ijzer op de kade plaatst. Als dat gebeurd is, kan het heien beginnen. De kade van de rivier moet versterkt worden. Dit hoort hij van de anderen, immers als er leven in de brouwerij is, komen de ‘kijkmannen’ uit de hele stad. Ze vellen hun oordeel over de werkzaamheden en menen dat het vroeger allemaal beter was. Maar vooral komen ze voor elkaar. Met zijn sombere gezicht, beginnende grijze slapen en sportieve fiets is de man een vreemde eend in de bijt. Hij voelt het en weet het als geen ander. Hij staat op gepaste afstand. Hij is te jong om de nostalgie te delen. Hij is nog van de scheppende generatie. Toch staat hij bij de oudere kijkmannen. Hij is ongelukkig. Hij telt niet meer mee en dat steekt. Heel erg.

Als het hem te veel wordt, stapt hij resoluut op zijn eigentijdse fiets en verdwijnt. Weg van de noeste werkzaamheden, weg van de stedelijke verbeteringen, weg van de mannen en vooral weg van zijn eigen gevoel. Doelgericht fiets hij naar de etablissementen, verder op de kade. De eerste koffiedrinkers zitten al onder de felgekleurde parasollen. Hij bestelt zijn koffie en sombert over de trage rivier die voor Henri Marsman zo als inspiratiebron diende.

Een frisgewassen man, die de nacht heeft doorgebracht in een onderkomen voor daklozen, ziet het koffiedrinkende onweersgezicht.

‘Is het weer zover Freek.’ zegt hij vrolijk.

De man kijkt verstoord op en doet zichtbaar moeite zich los te maken van zijn eigen mistroostige realiteitssoap. Met een korte knik nodigt hij de man bij hem aan tafel en bestelt nog een koffie. Samen kijken de mannen nu zwijgend over de rivier, de een vol verwachting wat de dag hem gaat brengen, de ander vechtend tegen zichzelf.

Freek kent de zwerver nu al enkele maanden, sinds hij thuis zit. Op het kantoor ging het niet meer, zijn vrouw en kinderen ziet hij al enige jaren niet. De arts had gezegd dat hij maar eens moest rusten. Dat is goed voor hem. En natuurlijk niet meer drinken.

‘Koop een fiets en trek erop uit.’

Op een dag, na een van zijn eenzame fietstochten, had hij een fles sterke drank gekocht in een van de rustieke dorpjes in de omgeving en was gaan drinken. Heel stiekem, tegen doktersadvies in. Een vriendelijke, ietwat smoezelige man was naast hem komen zitten. Samen hebben ze ook zijn voorraad opgedronken. Een onbezonnen actie van Freek. Hij had niet meer op zijn benen kunnen staan en schreeuwde zijn ellende eruit. Dat hij een mislukkeling was, een ramp voor de mensheid.

‘Een zatlap zijn, is niet erg, maar een zatlap zonder een scheppend vermogen is een verkwisting van Gods zuurstof.’

Even was het stil en dan jammert Freek: ‘Ik heb niets nagelaten. Helemaal niets.’

De zwerver begreep dat Freek kunstenaar wilde worden, maar dit niet gelukt is.

Later op de avond liepen de mannen, de zwerver aanmerkelijk kwieker, naar zijn huis.

Freek werd naar binnen geloodst en de zwerver ging terug naar zijn eigen huis, de stad. Bij het afscheid zei hij:

‘Jij moest maar niet meer drinken, je bent niet het type dat op straat kan leven.’

Nadien komen de mannen elkaar op gezette tijden tegen. Freek dankbaar voor de wijze woorden van de zwerver en de zwerver blij met een vers kopje koffie en niet die flauwe bocht van de goedbedoelde hulpverleners.

‘Ik ga er maar weer eens vandoor’ zei Freek, Èn bedankt.’

‘Jij bedankt’ zei de zwerver, terwijl Freek een briefje van tien op het tafeltje legt.

De zwerver kijkt Freek nog na, als de ober bij hem langs komt.

‘Wenst mijnheer nog wat te drinken?’

De zwerver geeft de ober het geld en bestelt een groot glas bier.

‘Niets nagelaten, niets nagelaten’ mompelt hij, ‘Twee prachtige dochters, de een studeert voor advocaat en de ander op de modeacademie. Onbegrijpelijk.’

Als de bestelling wordt gebracht, proost hij op niemand in het bijzonder en heeft vertrouwen in de zonnige toekomst van die dag.

Harmonie

  Wandelend door de straten van het kleine dorpje, geniet hij zichtbaar van de landerige rust. Het centrumpje heeft precies alles wat een kleinschalige gemeenschap nodig heeft. Een kerk, een paar winkels en een café-restaurant. De rustieke omgeving wordt geaccentueerd door een aantal oude herenhuizen en andere, minder imposante, monumentale pandjes. Een toerist zou het mogelijk als authentiek bestempelen.

De man verkeert nu eenmaal graag in kleine rustig dorpjes, al dan niet authentiek. In zijn leven heeft hij genoeg dynamiek doorstaan, dus dat zoekt hij niet meer op.
‘Maar wat is nu authenticiteit tegenwoordig nog’, bedenkt de man als hij stopt voor het terras van de horecagelegenheid.
‘Vroeger zouden ze dit een uitspanning hebben genoemd, waarbij de reiziger of de spaarzame toerist van een kop koffie had kunnen genieten en voor de avond mogelijk een gezonde voedzame maaltijd.’
Kijkend op de drank- en menulijst naast de glazen entree, die er vijftig jaar geleden zeker niet was, prijkt een eigentijds aanbod. Hij besluit op het kleine terras plaats te nemen, met uitzicht op de kerk en de hoofdstraat, die, heel toepasselijk, Dorpsstraat heet.

Genietend van de warme herfstzon bestudeert hij de kaart. Zijn keus valt op een boerenomelet met melk. Nadat hij de bestelling bij de vriendelijke jongeman had geplaatst, neemt hij de overige gasten pas waar. Een grijs echtpaar kijkt verveelt voor zich uit. Beide gekleed in een hip trainingspak met dezelfde kleuren, zitten stil naast elkaar. Het is geen prettige stilte, maar mogelijk is alles al gezegd in hun huwelijkse samenzijn. Een korte opleving in de mimiek is zichtbaar als de vriendelijke ober de bestelling komt brengen.
‘Een broodje kroket voor mijnheer en voor mevrouw een Griekse salade.’
De dame die er zichtbaar nog iets van wilde maken, wenst haar man een smakelijk eten toe. Hij kijkt nors naar zijn bord en verorbert zonder iets te zeggen zijn broodje.
 ‘Is het lekker?’
De boze blik van de man wordt bijgestaan door een aantal onverstaanbare woorden. De man had immers zijn mond vol met broodje kroket.
 ‘Wat zeg je?
‘Ik had een broodje bal besteld, zoals altijd!’
‘Nee, Henk je wilde echt een broodje kroket met mosterd en die heb je niet eens gebruikt.’
‘Die jongelui kunnen niet eens meer fatsoenlijk een bestelling opnemen tegenwoordig.’
 De vrouw wil er tegenin gaan, maar besluit het niet te doen. Met een bedrukt gezicht neemt ze een hap van haar salade. Echt genieten doet ze er niet meer van. De stilte aan hun tafeltje is weer terug, mogelijk nog onaangenamer.

Buiten het echtpaar heeft inmiddels ook een corpulente wandelaar plaats genomen op het terras. Hij zegt de andere aanwezige vriendelijk goedendag, maar krijgt van het echtpaar geen respons. Van de rustzoeker krijgt hij een vriendelijk wederwoord.
 ‘Een beetje vriendelijkheid kost ook niets’  zegt hij meer voor zichzelf dan voor anderen.
De dikkerd kan dan ook niet weten dat de man ernstig teleurgesteld is in zijn zojuist verorberde lunch. Hij laat zijn eigen stemming er niet door bederven en bestelt een biertje.
‘Smakelijk eten’ zegt hij als de omelet wordt gebracht en zijn ogen krijgen een smachtende blik.
 ‘Ziet er goed uit, maar ik heb net gegeten. Thuis, twee gebakken visjes van de markt. Ook lekker hoor. Alleen krijg je er zo’n dorst van, dus……’
Hij lijkt zijn aanwezigheid te willen verklaren en legitimeren, maar bovenal behoefte te hebben aan een praatje. De rustzoeker luistert geduldig, terwijl hij zijn lunch, een echte omelet met veel verse groenten, ham en spek,  met smaak opeet. Als de man de laatste hap heeft weggewerkt, krijgt hij te horen dat de keuken in dit etablissement geweldig is.
‘Ook nu die ouwe hier niet meer in de keuken werkt. Zijn kinderen hebben er een mooie zaak van gemaakt, dus kan die ouwe het mooi rustig aan doen, dat heeft hij verdiend.’
De dikkerd wist het zweet van zijn hoofd en kijkt de man aan alsof die het tegendeel wilde beweren.
‘Het smaakte inderdaad heel goed.’
Zijn gesprekspartner is tevreden met dit antwoord en zegt:
‘Ja, hij komt zo langs met zijn tuba, daar heeft hij weer tijd voor.’
Hij begrijpt dat deze woorden enige uitleg behoeven en legt uit dat iedere eerste zaterdag van de maand de plaatselijke harmonie een rondje door het dorp maakt, om te oefenen. En de tuba wordt tot zijn grote genoegen bespeeld door de eigenaar dit etablissement.

Inderdaad in de verte klinken vrolijke noten van blazers en trommels en het duurt niet lang of de muzikanten komen via de hoofdstraat naar het kerkplein toe. Daar marcheren ze een paar keer overheen. De dikke man kijkt verrukt naar zijn dorpsgenoten en zwaait naar de man met de tuba. ‘Daar is hij, Sjoerd mijn vriend, goed hè?
 ‘Het klinkt inderdaad heel vrolijk.’
Meer goeds is er ook niet over te zeggen, maar dat wild hij de trotse enthousiasteling niet aandoen.

Als de muziek langzaam wegsterft, is het stil op het terras. Het oudere echtpaar rekent af en loopt naar de fietsen. Een dames- en herenfiets die ook weer op elkaar zijn afgestemd. De nukkige man wacht ongedurig op de vrouw die haar spullen omstandig in haar fietstas doet.
‘Kom we fietsen, naar de stad, kun je nog even winkelen, dat wil je toch zo graag.’
Het komt er onaangenaam uit, maar mogelijk bedoelt hij het als een soort goedmakertje voor zijn gedrag. De vrouw reageert echter niet en fietst weg, maar niet richting de stad. Even kijkt de man besluitloos naar de boze rug van zijn vrouw, hij haalt zijn schouders op en fietst achter haar aan.
 ‘Het is maar hoe je het brengt, zegt de dorpeling die zijn laatste slokje bier opdrinkt.
‘Ja, c’est le ton, qui fait la musique.’
Hij kijkt zijn gesprekspartner even vragend aan en bij wijze van groet roept hij:
‘Was goed hè, onze harmonie?’

Reisschemering

 

Snel trekt hij de deur achter zich dicht en besluit via het centrum naar het Centraal Station van Arnhem te lopen. Zijn sigaretten zijn bijna op en hij wil vanavond de deur niet meer uit. Bij de oude dames van het sigarettenwinkeltje bij de Arnhemse Blikken Bioscoop kan hij zijn voorraad bijvullen.
Het weer is aangenaam al kondigt de herfst zich in de verte aan. De warmte van die middag, toen hij nog binnen aan het werk was, zal met zekerheid niet leiden tot een zwoele avond. De zon staat al te laag en is niet sterk genoeg meer. Het is nog wel warm genoeg om met hemdsmouwen door de stad te lopen.
‘Twee pakjes graag en weet u misschien hoe laat het is?’
De oudste van de twee vrouwen overhandigt hem de sigaretten, terwijl ze aan haar partner, mogelijk haar jongere zus, vraagt hoe laat het is. Vanuit de deuropening naar een klein keukentje komt het antwoord:
‘Twee minuten over vijf, heer.’
Aan de titulatuur ‘heer’ heeft hij altijd een hekel gehad. Vaak wordt het gebruikt door marktkooplui of vakmensen die thuis bij hem klusten. Uit hun mond klinkt ‘heer’ altijd neerbuigend. Zo met een air van, hij mag dan een baan hebben waarbij hij zijn handen niet hoeft te gebruiken, maar verder is het een mannetje van niets. Bij de vrouwen van het sigarettenwinkeltje heeft hij er minder moeite mee.
‘Dank u en een prettige avond dames.’

Hij hoeft zich niet te haasten, want de trein van zes over vijf zal hij toch niet halen. Via de Korenmarkt en de winkelstraten van de Gelderse hoofdstad loopt hij rustig naar het station. Een beetje in een schemertoestand. De besognes van het werk zijn nog niet afgeschud, maar hij is ook nog niet helemaal thuis, bij het avondmaal. In een soort niemandsland beziet hij de andere mensen in de stad. Op deze maandagavond is het winkelende publiek in de minderheid. Een snelle boodschap wordt nog wel gedaan op weg naar huis, maar het is vrij rustig. Ook op de Korenmarkt, het uitgaansplein in Arnhem, zijn weinig mensen. Slechts enkele lieden zitten op de zonovergoten terrassen.
Het is hem al vaker opgevallen wanneer hij naar het station loopt in de late middag dat hij weinig opneemt van zijn omgeving.’s Morgens is hij alert en observeert hij zijn medemens nauwgezet De oplettendheid komt terug bij het station.
Sinds enkele jaren is ook in Arnhem de vernieuwingsdrang toegeslagen en ligt de stad op de schop. Nieuwe flats en parkeergarages worden gebouwd, een eigentijds verkeersplan moet het drukke verkeer stroomlijnen en ook het Centraal Station moet geheel naar de toekomstige wensen worden verbouwd. Nu is dat laatste misschien wel te begrijpen, maar voor de treinreiziger betekent dit een lange tocht naar de perrons, waaronder een zestig treden tellende ijzeren trap. ‘Het is alsof de overheid via een slinkse weg de rokende mens alsnog op zijn verantwoordelijkheden wil wijzen.’ Hijgend komt de man bovenaan, met de wetenschap dat hij die zestig traptreden ook weer zal moeten afdalen over twee minuten.

‘Dames en heren, de trein naar Doetinchem en Winterswijk, op spoor 9b, oorspronkelijke vertrektijd 17.15 heeft een vertraging van ongeveer vijftien minuten. Ik herhaal…….’
‘Verdorie, denkt de man, dat is dus minimaal nog twintig minuten wachten en het zal me benieuwen of alle mensen erin kunnen.’
Bij het afdalen van de geïmproviseerde trap overziet hij de het perron en laat zijn opkomende opwinding over de zoveelste vertraging achterwege. Het heeft geen zin. Het is al jaren mis op het spoorlijntje dat de twijfelachtige eer heeft het meest miserabele lijntje van heel Nederland te zijn. Sinds de marktwerking zijn heilzame werk heeft gedaan en dit stukje spoorweg aan vervoersbedrijf Syntus is gegund, zijn vertragingen eerder regel dan uitzondering, vooral in de spits. Bovendien zijn door die vertragingen Japanse toestanden het gevolg. Als haringen in een ton worden de Achterhoekers uit Arnhem weggereden.

De man sluit zich aan bij de grote groep mensen die het reisleed verbazingwekkend blijmoedig over zich heen laat komen. Geen gemopper, geen gezeur. Vrolijk praten groepjes mensen met elkaar. Er wordt druk gebeld om het thuisfront te verzoeken de aardappels maar wat lager te zetten. Naast de man staan twee jonge vrouwen, bakvissen eigenlijk nog, te praten over hun studie. Beide hebben een map in hun hand waarop “Doktersassistent” staat.
‘Ik zal even mijn moeder SMS-en dat we later komen.’
Handige vingers beroeren de knopjes op het mobieltje.
‘Zeg, hoe schrijf je ‘rijden’ eigenlijk, met een korte of lange ij?’
‘Maakt het uit, als je moeder maar niet voor niets in Didam staat, dat is het belangrijkste.’
De SMS dame, knikt en zendt vervolgens het berichtje de lucht in.
De man heeft even de neiging om het antwoord te geven, maar besluit te zwijgen.
‘Als ze de recepten later maar wel goed kunnen schrijven en lezen.’

‘De trein naar Nijmegen van 17.20 vertrekt van spoor 8b, ik herhaal de trein naar Nijmegen vertrekt van spoor 8b.’
De man glimlacht en hij moet denken aan een grapje dat zijn zoons hem herhaaldelijk hebben verteld. Zonder twijfel heeft hij hen dit mopje zelf verteld, maar iedere keer moet hij weer lachen als hij zijn zoons hoort zeggen:
‘Pap, wat is het mooiste van Arnhem?’
Verwachtingsvol kijken ze hun vader aan, die zijn best doet om iets moois van Arnhem te vinden, maar dat lukt niet. Hij moet het antwoord schuldig blijven.
‘De trein naar Nijmegen!’
Als hij dan lacht, zijn ze tevreden, wetende dat ze hiermee hun vader een plezier doen. Hij zal dan denken dat zijn opvoeding op dit gebied in ieder geval geslaagd is. De animositeit tussen de beide steden is hij, na jaren in Nijmegen te hebben gewoond, nooit kwijtgeraakt. De trein naar Nijmegen vertrekt. De man weet dat de reizigers dan over vijftien minuten in de Waalstad zullen aankomen. Ze zullen de stad dan binnenkomen zoals Nescio dat meer dan zeventig jaar geleden. Hij raakte toen in vervoering.

Nog in gedachte over Nescio en Nijmegen, neemt hij een hoop bedrijvigheid rondom hem waar. Een deel van de aanzwellende groep begeeft zich naar perron 7. De man loopt automatisch als een mak schaap mee met de groep, in afwachting van nadere berichten van de stationspeaker. Omdat een grote groep mensen nog blijft staan, twijfelt de man over de juistheid van zijn verplaatsing. De twijfel blijkt bij meer mensen te bestaan, maar de oplossing komt niet van de ‘Galmende God’. De speakers reppen slechts over de internationale trein naar Oberhausen, Keulen en Frankfurt die nu op spoor 9 schijnt binnen te komen.
‘Oh, denkt de man, twee treinen tegelijk op hetzelfde perron dat kan niet.’
Hij besluit te blijven staan. Enige minuten later komt de Syntustrein binnen en het geluk is met de man. De trein komt zodanig tot stilstand dat de een van de deuren voor hem stopt. Als de trein de mensen heeft uitgespuugd, kan de nieuwe troep opgenomen worden. De man is binnen al is de drukte intens. Het zweet breekt hem uit, hij wist zijn voorhoofd af en voelt zijn rug klam worden. Met verbazing kijkt hij naar de Marokkaanse dame die noodgedwongen dicht bij hem staat. Ondanks haar modieuze hoofddoek en dito jas, blijkt zij geen last te hebben van de warmte. Geen druppeltje te bekennen op haar wangen of voorhoofd. Halverwege de reis gaat de telefoon in zijn broekzak. Door de drukte is hij niet snel genoeg, maar hij vermoedt zijn partner of kinderen. Uit voorzorg pakt hij de telefoon alvast in de wetenschap dat hij zo teruggebeld zal worden. En inderdaad, zijn vrouw belt of hij even wat boodschappen wil meebrengen voor het avondeten.

De trein stopt in Duiven, de avond kan beginnen en doelgericht stapt hij richting de supermarkt.

Een kaartje onbekende bestemming

Mijn eerste literaire held was Simon Carmiggelt. Ik leerde hem kennen op mijn 17e. Vele verhalen heb ik van hem gelezen en herlezen. Enige dagen terug heb ik zijn verhaaltjes opnieuw ter hand genomen. Dit is mijn eerste poging om eigentijdse verhaaltjes in de stijl van Carmiggelt te schrijven. Met nadruk op ‘eigentijds’ en ‘poging’, want het zal me nimmer lukken om zijn kwaliteit  maar te benaderen. Toch zie ik dit, en mogelijk meerdere verhalen in deze serie, als een ode aan een groot Nederlands schrijver.

Een licht chaotische stemming maakt zich meester van me. Niet ernstig hoor, u hoeft niet bang te zijn dat twee in wit gestoken kloeke ambulancemedewerkers zo aanstonds op de stoep staan en mij geheel tegen mijn zin moeten afvoeren.
Integendeel, de chaos is eerder een soort mantra die iedere woensdagmiddag terugkeert. Van een serieuze pathologische afwijking is geen sprake. Tenminste, dat denk ik niet.  

De oorzaak van de onevenwichtigheid in mijn gemoedstoestand ben ik zelf. Nader onderzoek leert dat gebrek aan discipline  iedere woensdag de oorzaak is van de interne onrust.
De dag ligt open voor me. Het is mijn dag als fulltime huisman. In volledige harmonie, conform de eisen van het hedendaagse gezin, zijn huishoudelijke en maatschappelijke taken verdeeld. Als meegaand echtgenoot kan ik met gerust hart de meest gedreven feministische criticasters te woord staan, zonder van mijn apropos te geraken. Niet dat ik op een dergelijke confrontatie zit te wachten. De stilzwijgende kritiek van mijn partner bij thuiskomst wil ik echter wel graag voorkomen.
Haar vermeende toorn als mijn huismannendag is geëindigd in een complete anarchie wil ik niet meemaken. En het is bovendien meer de onwenselijkheid om de huiselijke harmonie te doorbreken, dan dat ik me daadwerkelijk zorgen moet maken. Want ik meldde al dat mijn meegaandheid bijna spreekwoordelijk is, vind ikzelf. Dus ik doe erg mijn best.  

’s Ochtend zijn de boodschappen gedaan, de vaatwasser uitgeruimd en enige zinvolle zaken met de was heb ik voltooid.
Op tijd sta ik bij school om te vernemen waar de kinderen gaan spelen.
‘Pap, we gaan bij ons en we willen graag broodje knakworst.’

Geen probleem uiteraard, het lijstje werkzaamheden is immers bijna afgewerkt. Als man zijnde is het volgen van de grote logistieke lijnen in de huishouding uiteraard geen enkel probleem. Maar door ervaring wijs geworden schijnt ons soort, ook de goedwillende ‘weekdieren’, geen gevoel te hebben voor details. De finesses in de afwerking en oog voor kleinigheden in de huishoudelijke taken ontbreken ook in mijn genenpakket.
Tijdens het koken laat in de middag, overzie ik de huiskamer. Ik doe een verwoede poging om het geheel vanuit de feminiene optiek te bekijken. In de wetenschap dat dit niet zal lukken, schik ik de kussens op de bank, pak een stapel kranten en plaats die eerst op de te volle krantenbak, daarna op de salontafel om ze vervolgens weer op de oude plek terug te leggen. Ik overweeg of de bezem nog even over het parket moet en besluit dat dit niet nodig is. Onderwijl roer ik ook nog vakkundig in de pannen.
‘Wie wil de tafel voor me dekken?
Er komt geen antwoord, dus pak ik de borden en het bestek.
Mijn licht chaotische stemming is hiermee voldoende verklaard. Enige noodzaak tot ongerustheid is niet nodig.
Dan gaat de bel.

  ‘Pap, de bel gaat, het is iemand die ik niet ken, Ga jij maar even.’
‘Ook dat kan er nog wel bij.’
De gang inlopend zie ik een silhouet door de ruiten van de voordeur. Een kleine manspersoon kijkt door de brievenbus om te vernemen of de bewoners van het pand aanwezig zijn en mocht dit het geval zijn of zij dan ook van zins zijn om zich ter verwaardigen om de voordeur te openen.
Hij wordt op zijn wenken bediend en met dat ik de deur open, staat hij keurig rechtop en zegt met een lijzige stem.
‘Goedemiddag mijnheer, mijn naam is Edson, mag ik u even storen?’
Daarbij duwt hij me een geplastificeerd vodje onder de neus, die zijn naam beslist zal bevestigen, maar voor ik me hiervan kon verwittigen, laat hij me ook nog een brief zien. Wat er op deze brief staat, kan ik ook niet zo snel lezen. Ik zie nog net het logo van het gemeentewapen.
Zonder dat ik alle plotselinge handelingen heb weten te verwerken, antwoord ik in een beleefd automatisme:
‘Ook een goedemiddag gewenst, wat kan ik voor u doen.?’

  Een jongeling van ongeveer 16 jaar staat voor me, zijn beduimelde legitimatie aanhoudend boven zijn hoofd zwaaiend, kijkt me aan met felle donkerbruine, bijna zwarte ogen. Hij is eenvoudig maar netjes gekleed en spreekt overdreven Nederlands, bijna op een robotachtige manier. Accentloos, maar toch vreemd. De wortels van de jongeman kunnen in Irak liggen, of Marokko, maar evenzo goed uit Roemenië of Bulgarije. Tijd om dit nader te onderzoeken heb ik niet. De jongen doet zijn verhaal.
‘Mijnheer, ik kom voor zieke kinderen met kanker. Kinderen die heel ziek zijn en geholpen moeten worden. Daarom verkoop ik kaarten.’
In een snelle beweging wordt zijn legitimatiepasje in zijn jaszak gestopt en houdt hij een setje kaarten omhoog.
‘Kijkt u eens, mooie kaarten voor kinderen met kanker.’
Ik krijg een exemplaar in mijn handen geduwd en zie een compilatie van bekende Nederlanders bij ziekenhuisbedden. Zij maken zichtbaar plezier met de kinderen in de bedden.
‘Dat zijn blijkbaar de kinderen met kanker,’ stel ik vast.
Terwijl ik de plaatjes bekijk en vooral zit te denken wat ik met de situatie aan moet, ratelt de jongen op monotone wijze verder. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd.
‘Ik heb al een hele doos met ongebruikte kaarten, afkomstig van andere jongens en minder bedeelden die me wisten te overtuigen met kaarten. Ik stuur eigenlijk nooit meer kaarten, want de beleefdheidskaartjes hebben plaatsgemaakt voor digitale boodschappen aan bekenden elders in de wereld.’
Bovendien zegt mijn gevoel dat hier iets niet deugd, maar kan niet meteen de vinger op de zere plek leggen. Ik kijk de jongen aan in zijn donkere ogen die hard staan en die ogenschijnlijk geen nee kunnen verdragen. Mezelf kennende zal ik ook moeilijk nee kunnen zeggen, maar dat vind ik dan weer zo slap en principeloos.
‘Hoe duur zijn de kaarten?’
Ik stel de vraag, meer om tijd te rekken en me te sterken voor een weloverwogen nee. Het moet namelijk maar eens afgelopen zijn met het kopen van kaarten voor onduidelijke doelen van onduidelijke mensen. Niet omdat ik te gierig ben en ook niet omdat ik me niets wil aantrekken van nooddruftigen waar dan ook ter wereld. Ik wil vooral nee zeggen, omdat een onverschillig ja om er maar van af te zijn, mijn ego niet versterken.

  ‘Zes euro, mijnheer.’
De jongeman moet mijn tweestrijd voelen en hij praat dus verder over zieke kinderen met kanker. Hij lijkt zijn overwinning te voelen. Ik hoor achter mij de vrouw des huizes terugkomen. Mijn afwezigheid in de huiskamer wordt meteen opgemerkt en ze komt achter me staan.
‘Nee, bedankt en veel succes verder.’
De haat staat in de ogen van de kaartenverkoper, even voel ik me ongemakkelijk, maar sluit dan met een vluchtig ‘dag’ de voordeur.
Dit is het moment waarvoor ik altijd bang ben en dat ik in het verleden ook het liefst wilde afkopen door maar gemakzuchtig in te stemmen met de koop. Mijn geweten wordt gelukkig gesust door het feit dat ik echt geen geld in huis heb, maar toch.

  Enigszins verbaasd kijkt mijn partner me aan.
‘Heb je nee gezegd, dat is een overwinning op jezelf?’
Hoewel de spottende ondertoon in haar vraag duidelijk hoorbaar is, lijkt ze tevreden over zoveel ruggegraat bij haar partner. Ze loopt naar de eettafel. En passant plukt ze nog een kledingstuk van de grond en zet een paar gymschoenen op de plaats in de gang. Mijn wrevel over haar handelingsgerichtheid onderdrukkend, vraag ik naar haar dag en zet het eten op tafel.

  Tijdens de maaltijd blijf ik de ogen van de jongeman zien en vraag me af waarom een gezonde jongen van zeventien langs de deuren gaat om overal nee te horen. De kaartverkoop kan best illegaal zijn en een criminele bende verantwoordelijk voor de zwendel. Toch moet deze jongen het werk doen, de botheid van volgevreten Nederland in ontvangst nemen.
‘Ik zie dat je vandaag hard gewerkt hebt’ stelt mijn partner.
‘Ja, en ik had geen geld om de kaarten te kopen’ repliceer ik, meer gebaseerd op mijn eigen gedachten dan reagerend op de woorden van mijn partner.

  Later die avond zoek ik nog snel een deugdelijke stichting voor kinderen met nare ziektes en doneer een klein bedrag.