Begrip, van de dag (159) Oranjeleut

 

 

 

ORANJELEUT

 

De vader van Simon Carmiggelt verbood zijn zoon op jonge leeftijd mee te doen met de oranje-festiviteiten rondom Koninginnedag. Dat moet in die tijd op 31 augustus zijn geweest, want de kleine Simon is opgegroeid onder de Wilhelmien. Als rechtgeaard sociaaldemocraat, misschien toen nog socialist, was die oranje-leut volgens ‘de ouwe’ Carmiggelt een schertsvertoning en droeg zeker niet bij aan de heilstaat. De toen nog kleine Simon had het er best moeilijk mee, want hij kreeg geen limonade, mocht niet mee doen met de spelletjes en hij kreeg ook geen herdenkingstegel of andere oranje-prullaria. Graag had ik hem willen citeren hoe hij dat opschreef, maar in zijn oneindige oeuvre is dat zoeken van een speld in een hooiberg. U moet het maar van me aannemen.

Ik denk dat Carmiggelt zijn hele leven Republikein is gebleven, maar zeker geen fundamentalistische anti-oranje adept. Hoe zou hij naar de huidige beelden op tv hebben gekeken van Willem-Alexander, Maxima en de 3-a-tjes? Hoe zou hem dat herinnerd hebben aan zijn anti-oranje opvoeding van huis uit? Mogelijk dat het een mild spottend cursiefje zou hebben opgeleverd, verholen kritisch maar met mededogen. Zelf kijk ik eventjes mee naar het Zwolse gebeuren. Het thuisfront wilde weten hoe ze gekleed zijn. Enige goedkeuring over Maxima’s uitdosting en die van de prinsesjes komt van de bank. Ik denk vooral, wat zullen ze het koud hebben.

Ik vind het vooral een beetje sneue vertoning, maar ik weet niet eens voor wie het sneu moet zijn. Voor de Oranjes? Het zou toch allemaal anders worden, maar volgens mij is het gewoon weer een variatie op een thema met koekhappen en zaklopen. Misschien dat er tijdens de wandelroute meer eigentijdse beats en muziek wordt gespeeld, zodat de Koning en zijn gezin zich ook op zijn 21e-eeuws kunnen tonen. Of is het sneu voor de organisatoren om dezelfde shit te moeten fabriceren? Of misschien wel voor de beveiliging die een zware taak hebben vandaag? Gisteren hoorde ik dat de populariteit van de Oranjes drastisch is gedaald, slechts 65% is positief over onze nationale poppenkast. Het zegt me niet zoveel, Nederland is in zijn algemeenheid ondergedompeld in een nationaal chagrijn, dus ook hier laten we ons niet onbetuigd en blijkt dat de ‘ouwe’ Carmiggelt veel meer medestanders heeft dan een kleine honderd jaar terug.

45. MIJN KONINGSDAG uit de serie de kabbelende 100

Ik heb zelfs geen oranje tompouce gekocht. Geen Oranjegekte dit jaar. Eigenlijk is dat al jaren zo, hoewel als vader van twee kleine kinderen ontkom je er niet aan om langs de plaatselijke vuilnisbelten te lopen die ze gemakshalve omdopen tot vrijmarkten. Eufemistisch taalgebruik is toch eigen aan Koningsdag, want onze vorst noemde het botendefilé ook Grande Parade. Ook heb ik twee jaar op zo’n dekentje moeten zitten om de handelsgeest van mijn eigen zonen op te krikken. De rotzooi op mijn eigen zolder werd daardoor wel even wat minder, maar de winst werd steevast uitgegeven aan troep die een ander verkocht. Inmiddels zijn mijn kinderen oud en wijs geworden, ze kunnen er zelf op uit. Bij terugkomst hoor ik van beide dat ze de massa in de stad verafschuwen en dus geen liefhebbers zullen worden. Ik weet niet of het opvoeding is of dat het in de genen zit. De kwestie nature or nurture is altijd al discussiewaardig. Ik houd ook niet van grote massa’s en ben diep in mijn hart ook nog eens republikein. In een recalcitrante bui komt dat republikeinse gevoel snel naar de oppervlakte en volg ik mijn grote held Simon Carmiggelt die van zijn rooie vader niet mòcht deelnemen aan de Oranjefestiviteiten in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het werd afgedaan met flauwe Oranjeleut, en zo is het. Van mij mag Maxima best de eerste president worden, zo consequent ben ik dan ook wel weer.

20150428_092802

Ik was in het weekend begonnen om de tuin te fatsoeneren en van de wintertooi te verlossen. Het leek me voor Koningsdag een zinvolle dagbesteding om daar mee verder te gaan. Ik moest de schlagermuziek die vanuit het dorp de hele dag te horen was accepteren. Eenmaal op gang in de beschutting van de tuin, was het zelfs nog lekker in de zon, al was het amper tien graden. Dat is wel eens beter geweest in het verleden op Koninginnedag. Ik ben ook nog zo’n man die tot in lengte van dagen Koninginnedag blijft roepen.
De tuin zag er trouwens per uur beter uit en als mijn oudste zoon ook nog helpt om mos en gras tussen de stenen weg te halen, ben ik op het einde van de dag dik tevreden, al schalt Corry Konings, het zal ook niet op deze dag, dat ze een heel apart gevoel van binnen heeft.
Een uitgebloeide tulp trekt mijn aandacht, is die rijp om neergesabeld te worden, of mag de bloem nog even blijven staan? Goed, omdat ie oranje kleurt mag de tulp blijven. Daarnaast staat trouwens nog een exemplaar in de knop, het ziet er naar uit dat het een rode wordt. Die zal op 1 mei wel open gaan, maar dan is er geen vrij dag. Ik bedoel maar.

Republieksoep, een onbeproefd recept

Nu de dagen oranje kleuren, moet ik onwillekeurig terugdenken aan de verhaaltjes van Simon Carmiggelt. Hij beschrijft, op de hem bekende wijze, zijn socialistische opvoeding. Hierin was geen enkele ruimte voor monarchistische gevoelens. Zo ging dat in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Voor de ‘kleine’ Simon was dat spijtig, want hij mocht niet meedoen aan de festiviteiten op Koninginnedag. Voor hem geen gratis limonade, koek en een herdenkingstegeltje van staatswegen gefinancierd. Voor vader Carmiggelt was het duidelijk dat zijn zoon niet participeerde met die ‘infantiele oranjeleut’.

Als latent Republikein onderga ik het Oranjenieuws en de lading propaganda van bedrijven in deze dagen gelaten. Vaak zie ik de humor er nog wel van in. Ik denk dat vader Carmiggelt in het huidige tijdperk ten onder was gegaan aan de overproductie kapitalistische ‘Oranjeleut, maar dit terzijde.

Hedenochtend moest ik bij ’s lands grootste grutter zijn. Uiteraard stond alles in het teken van Oranje. En als dank voor het bezoek kreeg je ook nog een koningswuppie mee, voor thuis. Mijn geluk kon niet op. In de winkel viel mijn oog bij de groenteafdeling op een pakket om ‘Koninginnensoep’ te vervaardigen. Wortels, een oranje paprika en een sinaasappel zijn er voor nodig. Achterop de verpakking stond hoe je dit culinaire hoogstandje moest bereiden.

Bij mij rees meteen de vraag: “Bestaat er eigenlijk Republieksoep?” En zo ja, hoe zou dat dan smaken en eruit zien? Het mag niet rood zijn want dat zou betekenen dat het socialistische deel van de republikeinen het alleenrecht zou hebben op antimonarchistische gevoelens. Vader Carmiggelt zou dan in zijn vuistje hebben gelachen. Bovendien hebben we al een politieke partij die zich vereenzelvigd met ‘rooie soep met ballen.’ Ook bruine soep, met bruine bonen of linzen bijvoorbeeld, zou, ondanks de voortreffelijke smaak, niet mijn voorkeur hebben. De combinatie bruin en Republikeins heeft in de politiek een wrange en besmettelijke bijsmaak.

Mijn voorkeur zou uitgaan naar een lichtgroen lenteachtig soepje, waarbij de lichte kleur symbool staat voor prille en mogelijk nog onvolwassen Republikeinse gevoelens.

Ik zit te denken aan de volgende ingrediënten:

(bij 2 liter water)

  • 6 stukken prei

  • 200 gram jonge spruitjes

  • klein blikje erwtjes

  • 4 frisse Granny Smiths

  • mint

  • bieslook

  • groene peper

Koken en pureren en naar eigen voorkeur vleesproducten toevoegen.

Zelf heb ik de soep nog niet gemaakt, maar mijn vermoeden is dat er een grote winderigheid gaat ontstaan die op de Kroningsdag als rook- en stinkbommen gezien kunnen worden door de verschillende veiligheidsfunctionarissen. Ik maak de soep dus nog maar niet, maar ik hoor graag over uw ervaringen.

De Kroningsdag van 30 april 2013 wil ik eigenlijk ook niet verstieren, zo latent Republikein ben ik dan ook wel weer. Bovendien heb ik historische belangstelling en daarin past ook de idee dat het Republikeinse gevoel erg latent moet blijven, we leven immers al zo lang met de Oranjes. Ook vind ik WA eigenlijk een prima vent met wie het waarschijnlijk goed een biertje drinken is. En toegeven, ook ik ben als een blok gevallen voor de tsunami van Argentijnse charmes. De 3-atjes moeten we dan vooral niet traumatiseren met onze republikeinse peristaltische narigheid. Ik denk dat we het de komende jaren wel redden, het koningshuis en ik. Het blijft weliswaar een raar fenomeen, misschien is het wel een onvermijdelijk soort gekke liefde die niet weg te vlakken is, maar waar je je ook een beetje voor schaamt.

PS. Maar mochten de Republikeinse gevoelens in de toekomst echt toeslaan, dan is de Republieksoep te alle tijden aan te passen natuurlijk. Ook de kleur is dan niet meer belangrijk, dus voeg vooral rode pepers, bonen en uien toe. Laat het dan maar knallen en roken.

Tranendal met opklaringen

Tergend langzaam komt de hogesnelheidstrein langs het perron glijden. Bijna pesterig, om de aanzwellende stroom forenzen te attenderen dat juist hij de oorzaak is dat ze weer te laat komen. Het grijze gevaarte past bij de zware zwangere regenlucht. De ‘bevalling’ laat nog op zich wachten, het enige lichtpuntje deze ochtend. De man voelt dat zijn stemming slechts grijstinten toevoegt aan het decor van de kale stationsomgeving.

Hij wil vernietigend naar de reizigers kijken. De man ziet slechts zichzelf in de donkere ramen van de wagons. Een te dikke man met een lange antracietkleurige openstaande jas, die zijn frivole strakgespannen paarse bloes, protserig, maar zonder aantoonbare reden, aan de wereld toont. Zijn brede schouders hangen licht naar voren. Bij ieder treinraampje ziet hij een ietwat ongelukkige middelbare manspersoon.

Wat zien ze achter dat donkere glas eigenlijk?

Een man die ’s morgens zijn broze stemming andermaal heeft zien omslaan in frustraties en boosheid. Zoonlief moest naar school en had natuurlijk de schooltas niet ingepakt, moest het actuele rooster nog op de computer opzoeken en zijn fietssleutel was onverklaarbaar verdwenen. Aansporingen van hem, de avond, ervoor leverde een oeverloze discussie op van een beginnende brugsmurf met donkere filosofische prietpraat over de zin van school en daarmee het leven, of eigenlijk vooral de onzin van school.

‘Jij weet niet hoe erg school is tegenwoordig!’

Inderdaad begreep hij niet dat je buiten de reguliere afkeer, het huiswerk helemaal niet meer hoefde te maken.

‘Dat doe ik gewoon op school en op de computer, daar zijn programma’s voor.

Die ochtend had hij tegen zijn zoon geschreeuwd dat er ook programma’s zijn om tassen in te pakken en wel de avond ervoor en dat hij hiervoor het rooster bepaalde. Boos is zoonlief weggefietst en staat nu verderop, eveneens stuurs naar de trein te kijken. Zijn blik had al geseind dat hij het niet moest wagen bij hem in buurt in te stappen.

Dat is hij ook niet van plan. Terwijl hij mistroostig naar zijn spiegelbeeld op de ramen blijft kijken, de trein is oneindig, ziet hij via de ramen een kleine, in rook gehulde verschijning, naast hem stilstaan. Hij blijft de figuur via de raampjes observeren. De aandacht op zichzelf is nu gelukkig verdwenen. Bij het laatste raampje verdwijnt zijn spiegelbeeld en het rookgordijn. In een reflex kijkt hij naar links en ziet een puistenkop van amper dertien met een kreukelig shaggie op zijn lippen.

‘Tjemig, dat kun je ook nog hebben.’

Zijn stemming wordt al milder. De forenzenboemel arriveert en hij wurmt zich naar binnen. Op het moment dat de trein zich langzaam in beweging zet, voelt hij, staande in de mensenmassa, iemand zijn hand even beetpakken. Hij kijkt opzij en ziet zijn eigen puber staan, die bijna onmerkbaar zijn lippen even tuit om het goed te maken. Ze zeggen beide niets, dat zou ook gênant zijn met zoveel toehoorders.

Tegelijk stappen ze uit.

‘Fijne dag jongen, tot vanavond.’

‘Later.’

De man kijkt hem na. Met nonchalance, maar levenslustig, loopt zijn jongen richting school.

Klaar zijn of klaar komen?

Driftig hoort de wandelaar een fietsbel achter hem rinkelen. Hij stopt even om plaats te maken, maar eigenlijk is dat niet nodig, want er is genoeg ruimte om te passeren. Een zeventiger peddelt langs met een korte hoofdknik, ook al zo driftig.

“Het ongeduldige bellen past bij de man’, constateert de wandelaar.

Een blozend gezicht met felle oogjes achter een zilver brilmontuur en natuurlijk goed ingepakt tegen de winterse frisheid. Hij fietst op een moderne herenfiets in een iets te felle kleur blauw.

Koninklijk fiets hij vooruit. Want, merkt de wandelaar, op een bescheiden afstand van twintig meter komt nog een fietser. Dit keer een vrouw. Ook goed aangekleed tegen de kou en gezeten op een soortgelijke blauwe fiets, alleen een damesmodel uiteraard. Ze kijkt lijdend, alsof het van haar allemaal niet zo nodig hoeft. Liever had ze thuis bij de verwarming gezeten.

‘Schiet nou op,’ klinkt het voor haar, terwijl de man kwaaiig omkijkt en drukke handgebaren maakt.

De wandelaar loopt verder terwijl hij tegen twee zwoegende ruggen aankijkt, de een boos en de ander lijdzaam berustend. Langzaam verdwijnen ze uit zijn beeld. De wandelaar kan zich zo een voorstelling maken hoe het die ochtend gegaan is. De man gaat naar het schuurtje toe en controleert de fietsen die de hele winter werkeloos binnen hebben gestaan. De vrouw beziet het vanuit haar leesstoel en heeft al bange vermoedens. Haar man is de hele winter al ongedurig geweest. Het was geen weer om er uit te gaan. Gisteravond op het journaal hoorde ze hem al goedkeurend knikken toen de dame van het weerpraatje aankondigde dat het ’s ochtends zonnig zou zijn met temperaturen even boven nul.

‘Veel te koud voor een oud wijf als ik’, had ze nog gedacht.

Die ochtend begreep ze het knikken van haar man. Die heeft geen zitvlees en de goede maanden komen er weer aan, dus wordt het fietsen en ze moet mee. Zij heeft immers de koffiekan en broodjes bij zich.

‘We gaan fietsen, het is genoeg met het geluiwammes’ hoort ze bij de achterdeur.

Er tegenin gaan heeft geen zin. Bovendien zo gezellig is het thuis ook niet met die humeurige man van haar. Bijna vijftig jaar zijn ze bij elkaar en het is zoals het is. Dat is haar levensvisie geworden.

‘Gaan we nog wel naar de kerk, het is Aswoensdag.’

Ze krijgt geen antwoord, maar neemt het voor een bevestiging. Ze heeft een rotsvast vertrouwen in haar geloof en meestal gaat ze nog wel naar de kerk. Tenminste als er niet zo’n onbekende pastor is met moderne verhaaltjes. Dat vindt ze niets. Die ochtend kan ze het askruisje ophalen. Dat past zo lekker bij haar levenshouding.

‘Stof zijt Gij en tot stof zult Gij wederkeren’.

De oude pastoor zal het zachtjes zeggen, maar desondanks zullen zijn woorden maar langzaam wegsterven in de bijna lege kerk. Prachtig vindt ze dat, zo lekker rustgevend. Rust en een relativerende houding zijn hard nodig met zo’n brombeer in huis.

‘Zo moet het ongeveer gegaan zijn’ glimlacht de wandelaar die opgaat in zijn fantasie.

Hij kent dat soort stellen maar al te goed. Na vijftig jaar is er niet zoveel meer te veranderen, denken de meesten. Ze berusten in zoals het is. Misschien is dat wel goed zo.

Hij moet denken aan een liedje van de band ‘The Frames’  met People all get ready.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

De vrouw is ogenschijnlijk klaar en heeft de berustende tijd. De man is er nog niet klaar mee blijkbaar en wil vooruit, maar waar naar toe? Na tien minuten wandelen, ziet hij de twee besluitloos bij een kruising staan. De man wil verder, maar de vrouw geeft te kennen dat ze het koud heeft en het liefst terug wil. Het is een discussie met ingehouden woede en frustratie aan zijn kant. Zodra het fietsbaasje de wandelaar ziet, lacht hij de hem toe als blijk van herkenning. Alleen de mond lacht, de rest van het gezicht doet niet mee.

‘Derde keer trakteren’, groet hij joviaal.

De wandelaar lacht terug en knikt even kort naar de vrouw en loopt verder. Hij zal niet weten of de korte of de lange route genomen is. Hij denkt nog even na over het stel en over de vergankelijkheid van het leven in het algemeen en van sommige relaties in het bijzonder. De Rooms Katholieke Kerk heeft het nooit over de vergankelijkheid van relaties, want immers wat God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden. Voor ondeugdelijke relaties die dood zijn, is er immers geen equivalent van het askruisje.

‘En wie ben ik trouwens om dit stel te veroordelen.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

Na ruim een uur te hebben gelopen is hij terug bij zijn hotel, als hij aan de overkant van de weg het oude paar langs ziet lopen. Beide met de fiets aan de hand. Hij loopt nog steeds voorop, maar nu niet meer zo koninklijk. Hij heeft een lekke band. De man kijkt naar de wandelaar zonder hem te zien.

‘De fietscontrole van die ochtend is niet afdoende geweest’, mompelt de wandelaar vals.

Hij kijkt naar de vrouw en ontwaart een flauwe glimlach op haar mond. Op het moment dat de vrouw en de wandelaar elkaar aankijken, trekt ze haar wenkbrauwen licht spottend omhoog als teken van herkenning. Ze heeft iets triomfantelijks in haar houding. De man ziet het niet.

“Van trakteren zal wel niet veel meer komen, ik haal mezelf maar een warme kop koffie.’ En de wandelaar loopt naar binnen.

People all get ready
‘Cos we’re tearing down the stand
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with newer hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to clean us
If you’re not, if you’re not

People all get ready
‘Cos we’re breaking down again
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

People all get ready
‘Cos we’re breaking down the band
Rewrite what’s gone already
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

And we have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight

Rosenmontag Spaziergang

Mistroostig kijkt de man naar buiten. Het aanbod aldaar is niet erg uitnodigend, toch zal hij zijn verplichte wandeling moeten maken voor het psychische en fysieke welzijn. Het is wat grijzig in een witte wereld en op het journaal hebben ze een temperatuur van onder nul beloofd.

Eenmaal buiten blijkt hij een van de weinige helden te zijn. De rest van de mensheid las absoluut geen uitnodiging in de winterse kou geschreven. Ondanks de desolate aanblik, was er veel lawaai. Om voor hem onbegrijpelijke reden maakten de vogels een hels kabaal.

‘Ik ben geen ornitholoog, ik spreek hun taal echter niet.’

Misschien verwittigen ze elkaar dat er een rare tweevoeter met dit weer naar buiten gaat, zonder veren nota bene. Misschien hebben ze wel gewoon honger na zoveel weken sneeuw. Mogelijk spelen de hormonen hen parten, maar worden ze nog gedwarsboomd door de weersomstandigheden en dat is natuurlijk heel frustrerend. Een ding is zeker, de Wielewaal roept hen nog niet.

‘Dus wat doe ik hier in die Siberische koude.’

Buiten de vogels is het bijna stil. Alleen een auto komt langzaam aanrijden, de gladde wegen noodzaakten de chauffeur tot voorzichtig rijgedrag. Als de man bijna genaderd is, stopt hij. Hij kijkt alsof hij best sneller wil rijden, maar de verplichtingen die zijn werk met zich meebrengen zijn belangrijker. Hij pakt uit de achterklap van zijn kleine bestelbusje een pakketje. De leesportefeuille, leesplezier dat je zelf kunt samenstellen lees hij op de auto. De bladenman heeft een uitstervend beroep en aan zijn gezicht te zien, heeft hij er ook nog weinig plezier in. En hij moet nog tien jaar zo te zien en als het even tegenzit, zullen de opvolgers van Vader Drees hem nog twee jaar langer laten lijden.

Als de man in zijn tijdschriften mobiel verder gaat het leesplezier te verspreiden, is het wel echt stil. Ook de vogels houden hun gemak als de rand van het dorp achter hem ligt. Tussen de weilanden en langs het spoor treft de man niemand meer. Voor het psychische en fysieke welzijn, zet hij de pas erin. Het helpt hem ook om een beetje warm te worden en al snel nadert hij het volgende kerkdorp. De hoofdstraat is bezaaid met serpentines en confetti. Hier en daar liggen platgetrapte snoepjes die niet door kinderen zijn opgeraapt. De carnavalsoptocht is de zondag ervoor langs geweest, maar van enige feestelijkheden nu, is amper iets waar te nemen.

‘Het is Rosenmontag’, herinnert de man zich, maar de tijd van kolderieke leut is voor hem al eeuwen geleden.

Trouwens de feestelijkheden op deze desolate maandagochtend lijken ook hier nog niet op gang te zijn gekomen. Uit een van de huizen komt wel de geur van worst en boerenkool via de luchtkoker. De ultieme voorbode dat later die dag mogelijk weer leven in de brouwerij zal zijn. Nu moet de kater eerst weggewerkt worden met koffie en een stevige stamppot. De man kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twaalf is.

‘Inderdaad, over een uur of twee zal het aanzienlijk drukker zijn.

Hier en daar fietst een ‘vroege vogel’ in kleurrijke kleding, maar ook met een dikke jas tegen de kou. De gezichten staan niet erg ontspannen, chagrijnig zelfs. Mogelijk dat hutspot met klapstuk bij een van de verzamelpunten van de verschillende vriendenclubs daar verbetering in kan brengen. Het zijn namelijk hoofdzakelijk jonge mannen. Hun vriendinnen zullen ongetwijfeld eerder zijn opgestaan om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor het eten. Ze hebben statistisch gezien ook minder kans op een enorme kater.

Midden in het dorp staat de enige horecagelegenheid met een feesttent op de parkeerplaats. Aan de buitenkant is het een gewoon café zoals er nog velen staan in de verschillende kerkdorpjes. De tafels zijn bedekt met dikke tafelkleedjes en hoogstwaarschijnlijk staan er ook nog gewoon asbakken. Nu is de entourage feestelijk gemaakt met ballonnen en slingers. Boven de ingang staat dat prins Cor heer en meester is. Zijn gevolg, de carnavalssteken zijn goed zichtbaar vanaf buiten, praat nog rustig na over de avond ervoor. Mogelijk dat ze bezig zijn met de festiviteiten van die middag. Zachtjes is uit de luidsprekers, die boven de foto van prins Cor hangen, muziek te horen. Heel langzaam wordt de stemming er voor die dag ingesleten.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,

Am Rosenmontag bei uns daheim.

Bis Aschermittwoch bin ich verloren,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein.’

‘Er is hier nog niemand ‘närrisch’’, bedenkt de man terwijl hij het etablissement achter zich laat en verder wandelt, zijn psychische en fysieke welzijn tegemoet.

‘De vogels zijn niet ‘närrisch, de bladenman niet en ook de onderdanen van prins Cor nog lang niet. De enige joker ben ik zelf om met dit weer te wandelen.’

Hij schroeft zijn wandeltempo nog maar eens een beetje op. Toch begint hij onbewust te neuriën en loopt in de cadans van het liedje dat hij in zijn hoofd heeft.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,………..

De zon begint zowaar een gevecht aan te gaan met de grijze lucht als de man zijn rondje heeft gewandeld. Een beetje lente dan toch en een beetje herboren na zijn wandeling. Met het carnavalsfeest bij prins Cor zal het ook wel goed komen die middag en ook de vogels zullen binnenkort hun nesten bouwen. Of het met de bladenman goed zal komen, weet hij niet. Hij kan het alleen maar hopen.

’t Piepke

Alsof hij nooit is weggeweest, staat hij op zijn plek tegen de kale muur van de supermarkt, midden in de pretentieloze nieuwbouwwijk. De verse sneeuw, die de ochtend gevallen is, wordt netjes weggeveegd, terwijl ’t Piepke het allemaal soeverein bekijkt. En wij weten dan inmiddels dat de lente in aantocht is wanneer ’t Piepke weer in de openbaarheid verschijnt, ook al is het nog koud en winters voor andere stervelingen.

’t Piepke is een prettige zekerheid geworden in het leven. ’t Piepke staat meestal vrij roerloos op een strategische plek, vaak op meerdere momenten van de dag aan zijn pijp te lurken. Het moet wel heel hard regenen, of zoals nu, langdurig koud zijn, willen we ’t Piepke uit het oog verliezen.

In de anonimiteit van de moderne woonwijk heeft ’t Piepke ongewild, ook door gebrek aan beter, de rol gekregen van een soort dorpsgek. Hij weet dit overigens niet. Bovendien gedraagt hij zich ook niet heel buitenissig, het is meer het leger der kleurlozen dat hem tot een markante verschijning maakt.

Jaren geleden was de man me al opgevallen. Iedere avond reed ik met de fiets of auto langs hem op. Een gedrongen man van tegen de tachtig met een manchester broek, een pet, een grote donkere hoornen bril en een wat boerse jas voor als het koud is. Hij heeft een dunnere variant voor de minder koude dagen en hij verschijnt in hemdsmouwen bij zomerse temperaturen. Maar altijd heeft hij zijn pijp in de mond en met zijn handen op de rug monstert hij de voorbijgangers.

Bij terugkomst van een familie-uitje zei ik eens dat ’t Piepke er ook weer was. Ik zwaaide naar hem. Hij reageerde met een korte hoofdknik, nauwelijks waarneembaar, maar mijn kinderen waren onder de indruk.

‘Pappa kent ook iedereen.’

Ik heb ze uiteraard in de waan gelaten, inmiddels weten ze ook wel beter, maar ’t Piepke is sindsdien een begrip geworden. Al zijn gangen worden in familieverband besproken. Als ’t Piepke van zijn plaats wandelt om een boodschap te doen, wordt zoiets genoteerd inclusief wat er in zijn boodschappenmandje zit. Als hij een praatje maakt met een voorbijganger dan valt het op. ’t Piepke is een man zonder lange dialogen. Zijn bijdrage beperkt zich veelal tot enige losse opmerkingen in het plaatselijke dialect. En hoewel ’t Piepke nooit onwelwillend is naar zijn medemens, is zijn favoriete houding toch met de handen op de rug de auto’s, fietsers en wandelaars schijnbaar emotieloos observeren.

Mijn jongste zoon heeft mogen ervaren dat ’t Piepke wel degelijk negatieve emoties de vrije loop kan laten gaan. Heel opgewonden kwam hij eens thuis om dat te melden:

‘ ’t Piepke is helemaal uit zijn dak gegaan!’

In geuren en kleuren vertelde hij dat ’t Piepke vloekend en druk gesticulerend naar een huis aan de overkant wees. Hij zou schuttingtaal hebben gebezigd die niet echt past bij het oude baasje. Bovendien, zo gaat het verhaal, stak hij zijn middelvinger op.

‘Echt waar’, zei mijn jongste zoon volhardend toen hij ons ongeloof waarnam.

Inmiddels weten we dat hij in het huis aan de overkant woont, met zijn echtgenote, die we nog nooit hebben gezien, maar gemakshalve noemen we haar mevrouw Pipperette. Ik kan me zo voorstellen dat ze hem de deur heeft uitgezet met de woorden:

‘Ga jij maar op de hoek staan met je pijp, ik moet de boel aan kant maken.’

Nu zal ’t Piepke zich hebben neergelegd dat hij de vitrage niet meer mag besmeuren met zijn pijpwalmen. Maar hij wil wel naar buiten slenteren wanneer hij dat wil en niet op aandringen van mevrouw Pipperette zelf. In Amsterdam sturen vrouwen hun gepensioneerde mannen tenminste nog naar Artis. Hij moet op de hoek staan, tegenover zijn eigen huis nota bene.

De keer erop had hij zich weer verzoend met zijn Aardse plek tegen de blinde muur van de supermarkt. Hij volgde de langs rijdende auto’s en legde zijn nek in een kramphouding en mompelde nauwelijks hoorbaar:

‘Lekker wijfie.’

Onwillekeurig keek ik naar de vrouw in kwestie en moest concluderen dat ik zijn smaak niet deelde. Er fietste een dikke, ietwat fletse dame aan de verkeerde kant van de vijftig langs. Ze bezat in mijn optiek geen greintje ‘joie de vivre’ meer, maar ze kon ’t Piepke blijkbaar wel bekoren. Misschien kende hij haar nog wel van veertig jaar terug en heeft hij zich toen, op de rand van zijn midlifecrisis, verlekkerd aan haar. Ongetwijfeld was ze toen nog fris en fruitig en had het leven haar nog wat te bieden. Wie zal het zeggen?

Geheel onverwacht sprak ’t Piepke mij vorig jaar aan op de hem bekende losse lodderachtige wijze. Op een woensdagochtend had ik alle boodschappen gedaan. Bij thuiskomst was ik het wasmiddel vergeten, want woensdag is het wasdag. In een uiterst slechte stemming kon ik onverrichter zaken terug. Met een fles vloeibare zeep in mijn hand, merkte ’t Piepke me op. Hij bewoog zijn pijp van de ene mondhoek naar de andere.

‘Zo, dan kan moeder de vrouw ook weer aan het werk!’

‘Gvd’, dacht ik jaloers, ‘Niets moeder de vrouw, deze sukkel zelf moet aan de slag, luie uitvreter.’

Ik zag het onredelijke van mijn gedachten en lachte als een boer met kiespijn naar ’t Piepke.

Hij staat er dus weer, met een dikke jas aan, zijn pet op zijn hoofd en de pijp heel vertrouwd onder aan zijn lip, kijkend naar de witte wereld om hem heen, in de nietszeggende nieuwbouwwijk. Alsof hij een boer is die zijn landerijen bekijkt en voelt dat de lente er aankomt. Misschien was het land voorheen wel van hem? Wie weet? Ik weet het in ieder geval niet, want we kennen elkaar niet echt in de nieuwbouwwijk.

Reddingsboei voor bakvissen

Ze zijn met zijn tweeën, maar vaak zijn zo ook alleen. Twee jonge vrouwen, meisjes nog eigenlijk, al zullen ze zichzelf zo niet afficheren. Geanimeerd spreken ze met elkaar. Voor de geïnteresseerde observant is de conversatie nauwelijks te volgen. De ene onderdrukte kreet volgt in een rap tempo de andere op.

– ‘Boring les vandaag!’

– ‘Nou zeg, Fokker in een pest humeur.’

– ‘Ga morgen naar Max.’

– ‘Vette tent, lekker dansen.’

In de hoedanigheid van anoniem voyeuristisch gehoor begrijp ik dan dat er geen vriendje in het spel is. Tenminste niet een jongen die Max heet.

– ‘Heb je dit al gehoord?’

Het trendy oordopje wordt van het ene meisjesoor naar de andere getransporteerd. De blonde kijkt verwachtingsvol naar haar vriendin. Als blijk van waardering begint zij onderkoeld maar duidelijk zichtbaar met haar heupen te draaien.’

– ‘Cool!’

– ‘Met wie ga je morgen?’

– ‘Weet nog niet, moet eerst nog nieuwe mascara.’

De donkere jonge vrouw, met opzicht gekleurde vlechten, zorgvuldig om haar hoofd gedrapeerd, duikt in haar tasje, het is amper voor te stellen dat hier ook schoolboeken in kunnen. Ze zullen wel geen huiswerk meer hebben.

Ze laat de blonde iets zien.

– ‘Dit is hele fijne.’

Als bewijs hiervoor kijkt ze haar vriendin met grote ogen aan.

Die knikt, terwijl ze haar hippe telefoontje met ongetwijfeld vele mogelijkheden, maar nu wordt het gekleurde kleinood gebruikt waar het oorspronkelijk voor bedoeld is, want ze zet het ding aan haar oor en begint te praten. Nu niet tegen het donkere meisje, die haar ogen weer normaal doet en mascara weer in haar tas doet.

– ‘Hoi, waar ben je?’

…………

– ‘Wacht op station op trein.’

…………

– ‘Nee, met Carol.’

…………

– ‘Die niet, maar van school.’

…………

– ‘Doe ik, doeg.’

Het donkere meisje, Carol heet ze blijkbaar, heeft ondertussen op de display van haar mobieltje zitten staren. Ze veerde even op bij het horen van haar naam en kijkt nu vragend naar haar vriendin.

– ‘Mijn vriendje.  Nog wel. Wil altijd weten waar ik ben. Gaat hem niks aan.’

– ‘Moet je niet willen, nee toch?’

Onaangekondigd gaat de blonde driftig toetsend een berichtje sturen. Haar vriendin schikt ondertussen het gebreide witte sjaaltje, doet een passend mutsje op haar mooi bevlechte hoofd en kijkt stuurs afwisselend naar de SMS-ende vriendin en haar eigen mobieltje. Alsof ze ieder moment een berichtje verwacht. Misschien wel van de blonde naast haar.

Met een snelle beweging draait ze aan het apparaatje en doet een oordopje in. De blonde is uitgetipt, kijkt nog even naar het resultaat en is klaarblijkelijk tevreden.

Ter verklaring zegt ze.

– ‘Moest even, naar mijn zus.’

Carol, die inmiddels weer een van de oortjes uit heeft gedaan, knikte empathisch met holle en van fijne mascara voorziene ogen.

– ‘Begrijp ik toch?’

Als buitenstaander begrijp je hier helemaal niets van, maar goed het gesprek is ook niet voor buitenstaanders.

Dan komt langzaam de trein binnen.

– ‘Ik moet weg, zie je morgen bij Max.’

– ‘Tuurlijk!’

Een innige vriendinnenknuffel met veel sterktes en successen volgen. Waarvoor is wederom onduidelijk, maar dan scheiden de wegen zich. In ieder geval tot morgen bij Max als er niets tussenkomt.

Carol kijkt haar blonde vriendin nog even na. Haar gezicht straalt zolang ze oogcontact heeft. Zodra de trein weg is, gaat haar gezicht op slot. Als een kleine vamp staat ze ongenaakbaar op het grote perron, wachtend op haar vertrek. Heel even lijkt ze de wereld aan te kunnen, alleen. Dan grijpt ze toch naar haar redding, de telefoon die al die tijd in haar hand heeft gelegen. Ze wordt nu volledig in beslag genomen door het beroeren van de toetsen, af en toe schichtig om zich heen kijkend.

Een hele belangrijke boodschap wordt de wereld ingewerkt, misschien wel naar de zojuist vertrokken blonde. Ze was nog iets vergeten te zeggen. Van de ongenaakbare jonge vrouw is weinig meer over. Een ietwat nerveuze bakvis doet heel hard haar best de wereld aan te kunnen.

Gelukkig komt de trein en kan ze in een nieuwe omgeving opnieuw proberen een hele ongenaakbare vrouw te zijn, met haar mobiel, de reddingsboei voor al het wereldleed van bakvissen.

Nalatenschap

Met de fiets aan de hand, bekijkt de vijftiger de werkzaamheden in de stad. Er is genoeg te zien, mits je er oog voor hebt. De man heeft dat niet. Hij is geboren met twee linkerhanden. Hij kijkt misprijzend naar de enorme hijskraan die een groot roestig stuk ijzer op de kade plaatst. Als dat gebeurd is, kan het heien beginnen. De kade van de rivier moet versterkt worden. Dit hoort hij van de anderen, immers als er leven in de brouwerij is, komen de ‘kijkmannen’ uit de hele stad. Ze vellen hun oordeel over de werkzaamheden en menen dat het vroeger allemaal beter was. Maar vooral komen ze voor elkaar. Met zijn sombere gezicht, beginnende grijze slapen en sportieve fiets is de man een vreemde eend in de bijt. Hij voelt het en weet het als geen ander. Hij staat op gepaste afstand. Hij is te jong om de nostalgie te delen. Hij is nog van de scheppende generatie. Toch staat hij bij de oudere kijkmannen. Hij is ongelukkig. Hij telt niet meer mee en dat steekt. Heel erg.

Als het hem te veel wordt, stapt hij resoluut op zijn eigentijdse fiets en verdwijnt. Weg van de noeste werkzaamheden, weg van de stedelijke verbeteringen, weg van de mannen en vooral weg van zijn eigen gevoel. Doelgericht fiets hij naar de etablissementen, verder op de kade. De eerste koffiedrinkers zitten al onder de felgekleurde parasollen. Hij bestelt zijn koffie en sombert over de trage rivier die voor Henri Marsman zo als inspiratiebron diende.

Een frisgewassen man, die de nacht heeft doorgebracht in een onderkomen voor daklozen, ziet het koffiedrinkende onweersgezicht.

‘Is het weer zover Freek.’ zegt hij vrolijk.

De man kijkt verstoord op en doet zichtbaar moeite zich los te maken van zijn eigen mistroostige realiteitssoap. Met een korte knik nodigt hij de man bij hem aan tafel en bestelt nog een koffie. Samen kijken de mannen nu zwijgend over de rivier, de een vol verwachting wat de dag hem gaat brengen, de ander vechtend tegen zichzelf.

Freek kent de zwerver nu al enkele maanden, sinds hij thuis zit. Op het kantoor ging het niet meer, zijn vrouw en kinderen ziet hij al enige jaren niet. De arts had gezegd dat hij maar eens moest rusten. Dat is goed voor hem. En natuurlijk niet meer drinken.

‘Koop een fiets en trek erop uit.’

Op een dag, na een van zijn eenzame fietstochten, had hij een fles sterke drank gekocht in een van de rustieke dorpjes in de omgeving en was gaan drinken. Heel stiekem, tegen doktersadvies in. Een vriendelijke, ietwat smoezelige man was naast hem komen zitten. Samen hebben ze ook zijn voorraad opgedronken. Een onbezonnen actie van Freek. Hij had niet meer op zijn benen kunnen staan en schreeuwde zijn ellende eruit. Dat hij een mislukkeling was, een ramp voor de mensheid.

‘Een zatlap zijn, is niet erg, maar een zatlap zonder een scheppend vermogen is een verkwisting van Gods zuurstof.’

Even was het stil en dan jammert Freek: ‘Ik heb niets nagelaten. Helemaal niets.’

De zwerver begreep dat Freek kunstenaar wilde worden, maar dit niet gelukt is.

Later op de avond liepen de mannen, de zwerver aanmerkelijk kwieker, naar zijn huis.

Freek werd naar binnen geloodst en de zwerver ging terug naar zijn eigen huis, de stad. Bij het afscheid zei hij:

‘Jij moest maar niet meer drinken, je bent niet het type dat op straat kan leven.’

Nadien komen de mannen elkaar op gezette tijden tegen. Freek dankbaar voor de wijze woorden van de zwerver en de zwerver blij met een vers kopje koffie en niet die flauwe bocht van de goedbedoelde hulpverleners.

‘Ik ga er maar weer eens vandoor’ zei Freek, Èn bedankt.’

‘Jij bedankt’ zei de zwerver, terwijl Freek een briefje van tien op het tafeltje legt.

De zwerver kijkt Freek nog na, als de ober bij hem langs komt.

‘Wenst mijnheer nog wat te drinken?’

De zwerver geeft de ober het geld en bestelt een groot glas bier.

‘Niets nagelaten, niets nagelaten’ mompelt hij, ‘Twee prachtige dochters, de een studeert voor advocaat en de ander op de modeacademie. Onbegrijpelijk.’

Als de bestelling wordt gebracht, proost hij op niemand in het bijzonder en heeft vertrouwen in de zonnige toekomst van die dag.

Harmonie

  Wandelend door de straten van het kleine dorpje, geniet hij zichtbaar van de landerige rust. Het centrumpje heeft precies alles wat een kleinschalige gemeenschap nodig heeft. Een kerk, een paar winkels en een café-restaurant. De rustieke omgeving wordt geaccentueerd door een aantal oude herenhuizen en andere, minder imposante, monumentale pandjes. Een toerist zou het mogelijk als authentiek bestempelen.

De man verkeert nu eenmaal graag in kleine rustig dorpjes, al dan niet authentiek. In zijn leven heeft hij genoeg dynamiek doorstaan, dus dat zoekt hij niet meer op.
‘Maar wat is nu authenticiteit tegenwoordig nog’, bedenkt de man als hij stopt voor het terras van de horecagelegenheid.
‘Vroeger zouden ze dit een uitspanning hebben genoemd, waarbij de reiziger of de spaarzame toerist van een kop koffie had kunnen genieten en voor de avond mogelijk een gezonde voedzame maaltijd.’
Kijkend op de drank- en menulijst naast de glazen entree, die er vijftig jaar geleden zeker niet was, prijkt een eigentijds aanbod. Hij besluit op het kleine terras plaats te nemen, met uitzicht op de kerk en de hoofdstraat, die, heel toepasselijk, Dorpsstraat heet.

Genietend van de warme herfstzon bestudeert hij de kaart. Zijn keus valt op een boerenomelet met melk. Nadat hij de bestelling bij de vriendelijke jongeman had geplaatst, neemt hij de overige gasten pas waar. Een grijs echtpaar kijkt verveelt voor zich uit. Beide gekleed in een hip trainingspak met dezelfde kleuren, zitten stil naast elkaar. Het is geen prettige stilte, maar mogelijk is alles al gezegd in hun huwelijkse samenzijn. Een korte opleving in de mimiek is zichtbaar als de vriendelijke ober de bestelling komt brengen.
‘Een broodje kroket voor mijnheer en voor mevrouw een Griekse salade.’
De dame die er zichtbaar nog iets van wilde maken, wenst haar man een smakelijk eten toe. Hij kijkt nors naar zijn bord en verorbert zonder iets te zeggen zijn broodje.
 ‘Is het lekker?’
De boze blik van de man wordt bijgestaan door een aantal onverstaanbare woorden. De man had immers zijn mond vol met broodje kroket.
 ‘Wat zeg je?
‘Ik had een broodje bal besteld, zoals altijd!’
‘Nee, Henk je wilde echt een broodje kroket met mosterd en die heb je niet eens gebruikt.’
‘Die jongelui kunnen niet eens meer fatsoenlijk een bestelling opnemen tegenwoordig.’
 De vrouw wil er tegenin gaan, maar besluit het niet te doen. Met een bedrukt gezicht neemt ze een hap van haar salade. Echt genieten doet ze er niet meer van. De stilte aan hun tafeltje is weer terug, mogelijk nog onaangenamer.

Buiten het echtpaar heeft inmiddels ook een corpulente wandelaar plaats genomen op het terras. Hij zegt de andere aanwezige vriendelijk goedendag, maar krijgt van het echtpaar geen respons. Van de rustzoeker krijgt hij een vriendelijk wederwoord.
 ‘Een beetje vriendelijkheid kost ook niets’  zegt hij meer voor zichzelf dan voor anderen.
De dikkerd kan dan ook niet weten dat de man ernstig teleurgesteld is in zijn zojuist verorberde lunch. Hij laat zijn eigen stemming er niet door bederven en bestelt een biertje.
‘Smakelijk eten’ zegt hij als de omelet wordt gebracht en zijn ogen krijgen een smachtende blik.
 ‘Ziet er goed uit, maar ik heb net gegeten. Thuis, twee gebakken visjes van de markt. Ook lekker hoor. Alleen krijg je er zo’n dorst van, dus……’
Hij lijkt zijn aanwezigheid te willen verklaren en legitimeren, maar bovenal behoefte te hebben aan een praatje. De rustzoeker luistert geduldig, terwijl hij zijn lunch, een echte omelet met veel verse groenten, ham en spek,  met smaak opeet. Als de man de laatste hap heeft weggewerkt, krijgt hij te horen dat de keuken in dit etablissement geweldig is.
‘Ook nu die ouwe hier niet meer in de keuken werkt. Zijn kinderen hebben er een mooie zaak van gemaakt, dus kan die ouwe het mooi rustig aan doen, dat heeft hij verdiend.’
De dikkerd wist het zweet van zijn hoofd en kijkt de man aan alsof die het tegendeel wilde beweren.
‘Het smaakte inderdaad heel goed.’
Zijn gesprekspartner is tevreden met dit antwoord en zegt:
‘Ja, hij komt zo langs met zijn tuba, daar heeft hij weer tijd voor.’
Hij begrijpt dat deze woorden enige uitleg behoeven en legt uit dat iedere eerste zaterdag van de maand de plaatselijke harmonie een rondje door het dorp maakt, om te oefenen. En de tuba wordt tot zijn grote genoegen bespeeld door de eigenaar dit etablissement.

Inderdaad in de verte klinken vrolijke noten van blazers en trommels en het duurt niet lang of de muzikanten komen via de hoofdstraat naar het kerkplein toe. Daar marcheren ze een paar keer overheen. De dikke man kijkt verrukt naar zijn dorpsgenoten en zwaait naar de man met de tuba. ‘Daar is hij, Sjoerd mijn vriend, goed hè?
 ‘Het klinkt inderdaad heel vrolijk.’
Meer goeds is er ook niet over te zeggen, maar dat wild hij de trotse enthousiasteling niet aandoen.

Als de muziek langzaam wegsterft, is het stil op het terras. Het oudere echtpaar rekent af en loopt naar de fietsen. Een dames- en herenfiets die ook weer op elkaar zijn afgestemd. De nukkige man wacht ongedurig op de vrouw die haar spullen omstandig in haar fietstas doet.
‘Kom we fietsen, naar de stad, kun je nog even winkelen, dat wil je toch zo graag.’
Het komt er onaangenaam uit, maar mogelijk bedoelt hij het als een soort goedmakertje voor zijn gedrag. De vrouw reageert echter niet en fietst weg, maar niet richting de stad. Even kijkt de man besluitloos naar de boze rug van zijn vrouw, hij haalt zijn schouders op en fietst achter haar aan.
 ‘Het is maar hoe je het brengt, zegt de dorpeling die zijn laatste slokje bier opdrinkt.
‘Ja, c’est le ton, qui fait la musique.’
Hij kijkt zijn gesprekspartner even vragend aan en bij wijze van groet roept hij:
‘Was goed hè, onze harmonie?’